EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Ooij

Geschichte:

De heren van Ooij kwamen al voor in de bronnen vanaf 1088. In 1148 werden de heren van Ooij voor het eerst in een adem genoemd met hun kasteel Ooij. De heren van Ooij waren tot 1254 rechtstreeks leenman van de keizer. Vanaf 1254 ging het direct heerschap over aan graaf Otto van Gelre. Hiertegen hadden de heren van Ooij en de graaf van Kleef zich lang verzet. Het kasteel bleef lange tijd in de familie. Tussen 1321 en 1336 verzoenden de heren van Ooij en de Gelderse Graaf zich. In 1395 werd Gerard van Ooij door hertog Willem van Gelre met kasteel Ooi beleend. Uit dat jaar stamt de eerste leenbrief. In 1502 werd Ooij veroverd en verwoest door de Kleefsen. Nadat Nijmegen toegetreden was tot de Unie van Utrecht, werd kasteel Ooij net als de andere burchten in de omgeving van de stad ontmanteld. Op 24 augustus 1582 werd het kasteel in brand gestoken. In 1617 moet het huis alweer zijn hersteld. Dit jaartal hebben Pronk en Lienders op de muurankers in een vleugel naast de donjon op hun tekeningen afgebeeld. In 1622 kwam Gerard Herman van Ooij in het bezit van kasteel Ooij.
Deze Herman stierf in 1633 als laatste mannelijk erfgenaam uit het geslacht Ooij. Via Judith van Ooij kwam het kasteel vervolgens in handen van het geslacht Van Bylandt. In 1794 en 1795 beschadigden de Franse troepen kasteel Ooij aanzienlijk. De schadelijk was kennelijk zo groot dat graaf van Bylandt besloot het kasteel in 1798 voor afbraak te verkopen. In 1803 verkocht graaf van Bylandt de gebouwen op de voorburcht aan zijn oom Godert Adriaan van Randwijck. In 1848 kwamen de heerlijke rechten van Ooij aan de familie van Zuylen van Nyevelt toe. In de negentiende en twintigste eeuw was het kasteel in handen van de families Van Balveren en Van Verschuer. Een kleindochter van de baron Van Randwijck verkocht in 1904 de heerlijkheid aan A.W.F. van Voërst baron van Lynden. Deze verkocht het aan de Nederlandsche Maatschappij voor Grondbezit te Amsterdam. Door deze maatschappij werd Ooij verkocht aan de Steenfabrieken v/h Firma Robert Janssen N.V. te Nijmegen. De gebouwen raakten in verval. In 1947 stortte het stalgebouw voor tweederde deel in. In 1950 lukte het de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen het stalgebouw en het duiventorentje voor fl. 1,- te kopen van de toenmalige eigenares.

Besitzgeschichte:
Die Herren von Ooij werden schon ab 1088 in den Quellen erwähnt. 1148 werden sie zusammen mit ihrer Burg Ooij genannt. Sie waren bis 1254 direkte Lehnsleute des Reichsoberhaupts. Ab 1254 war Graf Otto von Geldern Landesherr und die Herren von Ooij stellten sich gegen ihn. Die Burg verblieb lange Zeit bei der Familie.. Zwischen 1321 und 1336 beendeten die Herren von Ooij und die Grafen von Geldern ihren Streit. 1395 wurde Gerard von Ooij von Herzog Willem von Geldern mit der Burg Ooij belehnt. 1502 wurde Ooij von kelvischen Truppen erobert und zerstört. Am 24. August 1582 fiel die Anlage einem Brand zum Opfer, wurde jedoch bis 1617 wieder aufgebaut. Diese Jahreszahl haben die Zeichner Pronk und Lienders auf der Burg auf ihren Zeichnungen festgehalten. 1622 gelangte die Burg an Gerard Herman
Dieser Herman starb 1633 als letzter männlicher Erbe des Geschlechts Ooij. Durch Judith von Ooij fiel die Burg in die Hände des Geschlechts von Bylandt. 1794 und 1795 beschädigten französische Truppen die Burg Ooij. Auf Grund des damaligen Zustandes entschloss sich der Graf von Bylandt, die Hauptburg 1798 zum Abriss freizugeben und Bruchsteine zu verkaufen. 1803 verkaufte er die Gebäude der Vorburg an seinen Onkel Godert Adriaan von Randwijck. 1848 kamen die Hoheitsrechte der Burg Ooij an die Familie von Zuylen von Nyevelt. Im 19. und 20. Jh. gehörte die Burg den Familien von Balveren und von Verschuer. Eine Enkelin des Barons von Randwijck verkaufte das Anwesen 1904 an A.W.F. von Voërst Baron von Lynden. Dieser verkaufte die Burg an De Nederlandsche Maatschappij voor Grondbezit zu Amsterdam. Diese Gewerkschaft verkaufte Ooij an die Steinfabriken v/h Firma Robert Janssen N.V. in Nimwegen. Die Gebäude verfielen zusehends. 1950 gelang es der Stiftung “Vrienden der Geldersche Kasteelen” den Pferdestall und das Taubenhaus für fl. 1,- von der derzeitigen Besitzerin zu kaufen.

Bauentwicklung:

Kasteel Ooij bouwde men in de twaalfde of vroege dertiende eeuw als een motte-kasteel. De motte had een doorsnede van 45 meter. Midden op de motte stond een vierkante donjon van tufsteen, kwartsiertblokken en Romeins bouwpuin. De donjon bestond uit drie verdiepingen en een kelder en mat ongeveer 11,25 bij 11,25 meter. De donjon werd bekroond door een tentdak, waarvan de voet door kantelen aan het zicht onttrokken was. Waarschijnlijk verlaagde men de motte aan het einde van de Middeleeuwen tot het niveau van de voorburcht en de Waaldijk. Tegenover de voorburcht bouwde men een zware vierkante toren die door middel van een woonvleugel met aansluitende kapel verbonden was met de donjon. De zware vierkanten toren werd door een klokvormige dakstoel met uivormige spits gedekt. Deze toren behoorde tot het oudere deel van het kasteel en kan een poorttoren geweest zijn. Het poortgebouw ten westen van de toren stamt uit later tijd. Waarschijnlijk dateren de vleugels aan de oostzijde van de donjon uit de zestiende eeuw. De vleugel aan de westzijde van de donjon werd volgens de muurankers gebouwd of gerestaureerd in 1617. Het kasteel werd met de voorburcht verbonden door een stenen brug, die rustte op twee rondbogen. Het knechtenhuis op de voorburcht dateert uit de zestiende eeuw. Ten westen van dit gebouw lag een omgracht en ommuurd rechthoekig terrein. Ten noorden van het voorburchtterrein bouwde men in de tweede helft van de zeventiende eeuw het stalgebouw. Het stalgebouw lag op de noordwesthoek van het complex rechts achter de buitenpoort aan de dijk. Dit stalgebouw had een vierkante en veelhoekige toren op de noordwest- en noordoostgevel, die beide waren bekroond met uivormige spitsen. De dijk werd geflankeerd door walmuren. Deze walmuren waren geleed met rondbogige spaarvelden. Een smalle verbindingsweg tussen schutmuren deelde de voorburcht als het waren in tweeën en deze weg verbond de terreinen voor het stalgebouw en het knechtenhuis. Op 24 augustus 1582 werd het kasteel in brand gestoken. In 1617 moet het huis alweer zijn hersteld. Dit jaartal hebben Pronk en Lienders op de muurankers in een vleugel naast de donjon op hun tekeningen afgebeeld. In 1791 voerde men uitgebreide herstelwerkzaamheden uit aan het kasteel. Daarbij ging het vooral om een herstel van ramen, deuren en trappen. In 1794 en 1795 beschadigden de Franse troepen kasteel Ooij aanzienlijk. De schadelijk was kennelijk zo groot dat herstel geen optie meer was. De graaf van Bylandt besloot het kasteel in 1798 voor afbraak te verkopen. In de verkoopvoorwaarden werd bepaald dat de koper enkel de hoofdburcht af mocht breken, aangezien de verkoper de voorburcht in stand wilde houden. De sloop moest voltooid zijn voor 1 mei 1799. Hierna stonden enkel de gebouwen op de voorburcht nog. Deze gebouwen raakten ernstig in verval. In 1947 stortte het stalgebouw voor tweederde deel in. Het stalgebouw en het duiventorentje werden in 1950 gerestaureerd onder leiding van J.A.J. van de Boogaard. Het knechtenhuis restaureerde men in 1977-1978 onder leiding van W.A. Heineman te Velp.

Baubeschreibung:

Midden op de motte, met een doorsnede van 45 meter, stond een vierkante donjon van tufsteen, kwartsiertblokken en Romeins bouwpuin. De donjon bestond uit drie verdiepingen en een kelder en mat ongeveer 11,25 bij 11,25 meter. De donjon werd bekroond door een tentdak, waarvan de voet door kantelen aan het zicht onttrokken was. Waarschijnlijk verlaagde men de motte aan het einde van de Middeleeuwen tot het niveau van de voorburcht en de Waaldijk. Tegenover de voorburcht bouwde men een zware vierkante toren die door middel van een woonvleugel met aansluitende kapel verbonden was met de donjon. De zware vierkanten toren werd door een klokvormige dakstoel met uivormige spits gedekt. Deze toren behoorde tot het oudere deel van het kasteel en kan een poorttoren geweest zijn. Het poortgebouw ten westen van de toren stamt uit later tijd. Waarschijnlijk dateren de vleugels aan de oostzijde van de donjon uit de zestiende eeuw. De vleugel aan de westzijde van de donjon werd volgens de muurankers gebouwd of gerestaureerd in 1617. Het kasteel werd met de voorburcht verbonden door een stenen brug, die rustte op twee rondbogen.
Op de voorburcht is het stalgebouw uit de zeventiende eeuw deels opgenomen in een latere boerderij. Er staat eveneens een duiventorentje en delen van het zestiende-eeuwse knechtenhuis. Op het voorburcht terrein zijn nog resten van de westelijke en zuidelijke kademuur aanwezig en een zware bakstenen schildmuur van 30 meter loopt links van het poortgebouw.

Baugeschichte:
Kasteel Ooij wurde im 12. oder 13. Jh. Motte gegründet Dier Mottenhügel hatte einen Basisdurchmesser von 45 m. Mitten auf dem Mottengelände stand ein viereckiger Turm aus Tuffstein und römischen Bauresten. Der Donjon, der durch ein Zeltdach abgeschlosen wurde, hatte drei Geschosse und einen Keller. Die Abmessungen des Turmes betrugen 11,25 x 11,25 m. Wahrscheinlich hat man etwas die Höhe des Turmes reduziert. Der Vorburg gegenüber baute man einen massiven viereckigen Turm. Dieser Turm, der mit einer barocken Haube versehen war, wurde durch ein Wohngebäude und eine Kapelle mit dem Donjon verbunden. Wahrscheinlich sind die Flügel an der Ostseite des Donjons ins 16. Jh. zu datieren. Das Gebäude an der Westseite des Donjons wurde 1617 erbaut . Die Hauptburg war mit der Vorburg mittels einer Brücke aus Stein auf zwei Rundbogen verbunden.. Das Gesindehaus im Vorburgbereich datiert in das 16. Jh. An der Westseite dieses Gebäudes befand sich ein von einem Graben umgebenes und ummauertes rechteckiges Gelände.
Auf der Nordseite der Vorburg baute man in der zweiten Hälfte des 17. Jh.s einen Pferdestall. Dieser Pferdestall befand sich auf der Nordwestecke des Komplexes hinter der Außenpforte am Teich. Er hatte jeweils einen viereckigen und einen mehreckigen Turm am Nordwest- und Nordostgiebel. Entlang des Teiches verlief die Wallmauer. Ein schmaler Zugangsweg teilte die Vorburg in zwei Teile und dieser Weg lief vom Pferdestall zum Gesindehaus. Vom Abriss der Burg Ende des 18. Jh.s blieb lediglich die Vorburg verschont. Der Pferdestall und das Taubenhaus wurden 1950 unter Leitung von J.A.J. van de Boogaard restauriert. Das Gesindehaus restaurierte man 1977-1978 unter Leitung von W.A. Heineman te Velp. Auf dem Gelände der Vorburg existieren noch Reste der westlichen und südlichen Mauer. Eine starke Ringmauer aus Backstein von 30 m befindet sich links neben dem Pfortgebäude.
W.L. und L. v.d. W.