EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Valkhof, Het

Geschichte:

Sinds het verdrag van Meersen in 870, waarbij het middenrijk van Lotharius werd verdeeld tussen Karel de Kale en Lodewijk de Duitser, was het gebied rond Nijmegen in het bezit van de Duitse keizer. De Duitse keizer liet het gebied besturen door de burggraaf, een ambtenaar van de keizer. Rond 1200 kwam deze burcht tijdelijk in het bezit van Hendrik I, hertog van Brabant. In 1247 moest Rooms-koning Willem II geld lenen om zijn beleg van Aken te financieren, waar hij tot keizer gekroond wilde worden. Otto II, graaf van Gelre, verstrekte hem die lening. In ruil voor deze financiële ondersteuning ontving hij de burcht en alles wat erbij hoorde als onderpand. Het pand werd nooit ingelost en zo bleef de burcht in handen van de Gelderse graven, die sinds 1339 hertogen waren. Uiteindelijk waren het de landdag van Gelre en Zutphen die het Valkhof bezaten. Door tufsteenwinning raakte de burcht vanaf de tweede helt van de vijftiende eeuw steeds verder in verval. Daar droeg het bombardement van de Fransen op 6 en 7 november 1794 in hoge mate aan bij. In 1796 viel na veel verzet van de kant van vertegenwoordigers van de stad en het rijk van Nijmegen in de landdag het besluit om het kasteel te slopen. Daarbij zouden echter zowel de Sint-Nicolaaskapel en de Sint- Maartenskapel, een van de twee burchtkapellen, gespaard blijven. Op 30 mei 1796 werd het Valkhofterrein met de twee kapellen verkocht aan de stad Nijmegen.

Bauentwicklung:

Op het Valkhof stond in ieder geval ten tijde van Frederik Barbarossa een keizerlijke palts, maar er bestaan aanwijzingen dat er zelfs ten tijde van Karel de Grote al een keizerlijk complex op de Valkhof heeft gestaan. Men vermoedt onder andere op grond van een tekst van de hand van de kroniekschrijver Rahewin uit het gevolg van Frederik Barbarossa, dat er onder Karel de Grote al een keizerlijk complex op het Valkhof stond. Er is nog nooit werkelijk intensief gezocht naar mogelijke resten van een Karolingische Palts op het Valkhof. Wel dateert de Sint-Nicolaaskapel waarschijnlijk uit het tweede kwart van de elfde eeuw. Deze kapel is dus al gebouwd voordat het kasteel van Barbarossa op het Valkhof stond en dit is volgens Eliëns en Harenberg (1984) een aanwijzing voor het bestaan van een oudere palts. Rond 1155 liet keizer Frederik Barbarossa met behulp van sloopmateriaal uit de Romeinse tijd een burcht op het Valkhof bouwen. Volgens een gedenksteen heeft keizer Frederik Barbarossa de burcht laten bouwen op het Valkhof: 'Duizend jaar nadat hij het Heil de wereld werd geschonken, daarbij gevoegd nog honderd vijf en vijftig jaar, heeft, als keizer van zijn rijk, Frederik vriend des vredes het vervallen, ingestorte, oude schier in het niet verzonken bolwerk van Nijmegen in gelijkwaardige schoonheid en luister herbouwd. Julius moge dan aan het begin ervan als schepper staan, niet gelijkwaardig was hij de vredebrengende bouwer Frederik' (Eliëns en Harenberg, 1984, p. 159). Hoe dit kasteel eruit heeft gezien is niet precies duidelijk. Wel is bekend dat in ieder geval de Nicolaaskapel, de Maartenskapel en de zogenoemde Reuzentoren deel uitmaakten van dit complex. Het is mogelijk dat Frederik Barbarossa ook de ringmuur op bogen heeft laten bouwen. In dat geval zijn de halfronde uitspringende torens toevoegingen uit later tijd. De Reuzentoren mat ongeveer 9 bij 18 meter en was gebouwd van tufsteen. Waarschijnlijk was de toren 37 tot 46 meter hoog. De Reuzentoren, die het centrale gedeelte van Barbarossa's palts geweest moet zijn, bestond uit meerdere verdiepingen. Het woonvertrek bevond zich waarschijnlijk ter hoogte van de daknokken van de aangrenzende woonvleugels van het kasteel. Volgens de Catalogus van het Nijmeegse Museum Commanderie van Sint-Jan bevonden zich op die verdieping halfronde boogvensters met een zuiltje in het midden onder de boog. Van deze boogvensters waren er aan de Waalkant drie en aan de zuidzijde twee. Frederik Barbarossa stierf in 1189. Toen was de burcht nog niet voltooid. Waarschijnlijk voltooide zijn opvolger, keizer Hendrik VI, het complex. De burcht had toen een T-vormige plattegrond, met korte naar de Waal gerichte vleugels. De oost-westvleugel liep parallel aan de Waal en bevatte onder andere de Reuzentoren. Het geheel lag binnen een tufstenen ringmuur. De toren laat op afbeeldingen een grote dichtgemaakte boog zien. Men vermoedt dat op deze plek een zuidvleugel aan de toren heeft vastgezeten, die men later heeft vervangen door een noodzuidvleugel. Rond 1460 werd het Valkhof voor de laatste keer uitgebreid verbouwd. In opdracht van de hertog van Gelre voorzag men het kasteel van binnen- en buitenomwalling in baksteen. In 1467 kwam het kasteel door stadsuitbreiding binnen de stadsmuren te liggen. Na 1467 bleef het uitzien van het Valkhof tot aan de afbraak in 1796 en 1797 vrijwel ongewijzigd. Via de Voorpoort bereikte men den eerste binnenplaats, de Bleek. Die grensde aan de noordvleugel, de Reuzentoren en de lange noord-zuidvleugel. De noord-zuidvleugel bood toegang tot een kleinere tweede binnenplaats via de Rode Poort. In het midden van de noord-zuidvleugel was de Maartenskapel opgenomen, waarvan de koorpartij met halfronde absis uitkwam op de tweede binnenplaats. In de zestiende eeuw bouwde men tegen de ommuring wel een aantal huisjes. In 1530 liet hertog Karel van Gelre allerlei versterkingen aanleggen aan de westzijde van het Valkhof, die door de burgers van Nijmegen later weer werden afgebroken. Al in de tweede helft van de vijftiende eeuw begon men echter met tufsteenwinning ten koste van het kasteel, waardoor het kasteel meer en meer in verval raakte. De lucratieve tufsteenwinning, de hoge onderhoudskosten en het bombardement van de Fransen in 1794 leidden er uiteindelijk toe dat de landdag besloot het kasteel af te breken. Het besluit hiertoe werd genomen in 1796. Men sloopte het kasteel, maar spaarde de Nicolaaskapel en de Maartenskapel. Deze laatste kapel werd in 1799 alsnog grotendeels afgebroken. Als onderliggende motief voor de afbraak van het kasteel noemt men ook wel de wens om de status van Nijmegen te verminderen. In 1797 legde Nijmegen op het terrein van de voormalige burcht een park aan naar het ontwerp van J.D. Zocher, waarin de restanten van het kastel waren opgenomen. Dit ontwerp werd in 1833 ingrijpend gewijzigd door de Utrechtse tuinarchitect H. van Lunteren.

Baubeschreibung:

Het is onduidelijk hoe de burcht er tijdens Frederik Barbarossa precies heeft uitgezien. Het is echter vrijwel zeker dat hij rond 1155 de zogenoemde Reuzentoren heeft laten bouwen. Rond deze zaaltoren heeft men in diezelfde tijd een polygonale ringmuur op bogen gebouwd. Deze muur is wellicht ook onder Frederik Barbarossa opgetrokken, al zijn de halfronde torens in de ringmuur waarschijnlijk van later datum. In de veertiende en vijftiende eeuw zijn er woonvleugels aan de Reuzentoren aangebouwd, waardoor de ruimte binnen de ringmuur deels is opgevuld.
Van kasteel het Valkhof resteren nu alleen nog de Sint-Nicolaaskapel, de ruïne van de Sint-Maartenskapel, het restant van een tufstenen waltoren en een deel van de buitenste ringmuur. Van de Romaanse Maartenskapel staat alleen nog de absis overeind. Rondom de restanten van het kasteel heeft men een park aangelegd.