EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Schalkwijk

Geschichte:

Kasteel Schalkwijk was waarschijnlijk gebouwd door een lid van de familie Van Schalkwijk. Dit geslacht kwam al in de twaalfde eeuw in de bronnen voor. Pas in 1250 was er echter voor het eerst sprake van een kasteel Schalkwijk. Het was toen bezit van Arnold van Schalkwijk. Zijn zoon Gijsbert volgde hem op als heer van het gerecht. Daarna kwam het gerecht in handen van diens broer Berend. Deze zat blijkbaar in financiële moeilijkheden, want hij gaf het in 1312 in pand aan Gijsbert van Goye, waarbij hij vermelde dat hij zijn huis en goed aan niemand anders zou verkopen dan aan Gijsbert Uten Goye of diens zoon Gijsbert. Vier jaar later moest hij het inderdaad aan Gijsbert verkopen. Blijkbaar heeft Gijsbert het later weer terugverkocht aan Berend. In 1319 verkocht Berend zijn aandeel aan de heer van Culemborg. Daarna bleef het in handen van dit geslacht.
In 1321 werd Arnold van Schalkwijk door Johan van Amstel beleend met het huis en vier morgen land waarmee zijn vader, Arnold van Schalkwijk, door Johan van Amstels vader mee beleend was. Op enig moment na 1321 zijn het kasteel en de heerlijkheid Schalkwijk in verschillende handen gekomen. Volgens Wittert van Hoogland was de volgende oudst bekende bezitter van kasteel Schalkwijk Frederik van Jutphaas, die voor het eerst genoemd werd in 1395.
In 1536, ten tijde van Dirk van Jutfaes van Blockhoven, werd Schalkwijk erkend als ridderhofstad.
Begin zeventiende eeuw was Schalkwijk in bezit van mr. Jan van der Haer. Zijn weduwe verkocht het in 1627 aan Johan van Abcoude van Meerten. Diens weduwe verkocht het eveneens. In 1633 kocht Adriaen Ram het kasteel. Hij was overtuigd katholiek en liet de ronde toren van zijn kasteel inrichten als schuilkapel ten behoeve van zijn familie en de grotendeels katholiek gebleven bevolking van Schalkwijk. In 1651 werd het kasteel ingenomen door de maarschalk van het Sticht, Johan Strick van Linschoten, en werd de toren met de grond gelijk gemaakt. Adriaen Ram en zijn gezin werden voor tien jaar uit het Sticht verbannen. In 1653 verkocht hij daarop de ridderhofstad, met uitzondering van de ambtsheerlijkheid, aan Frederik van Renesse van Elderen. Bij diens dood in 1666 werd het huis verkocht aan jonkheer Gerlach van Capelllen. Tot 1774 bleef het in handen van zijn nakomelingen. Vervolgens werd het kasteel verkocht aan de familie Taets van Amerongen. Waarschijnlijk was het kasteel toen al erg vervallen. In 1811 werd het bij de verkoop niet meer genoemd en ging alleen de grond over in andere handen.

Bauentwicklung:

Mogelijk is kasteel Schalkwijk het tweede kasteel met die naam. Het eerste kasteel werd in 1445 als volgt beschreven: de 'oude hofstede van Schalkwijk, waar het huis te Schalkwijk op stond met 24 morgen strekkende van Schalkwijker Wetering tot de Lek en Honswijker wetering boven aan Willem Doys en beneden aan de Nieuwe Wetering.' Deze locatie beschrijving duidt erop dat dit kasteel verder ten westen van het dorp lag dan het latere kasteel Schalkwijk.
De vroegste afbeelding van het vermoedelijk tweede kasteel Schalkwijk is de tekening van Roelant Roghman uit ca. 1646/47. Het was toen een rechthoekig kasteel van ca. 30 x 40 m., omgeven door een 15 m brede gracht. De muur om het binnenplein was toen ca. 70 cm dik. Op de noordhoek stond een vrijwel volledig vrijstaande vierkante hoektoren. Waarschijnlijk had deze toren twee bouwlagen boven een kelder, en een zolderverdieping. Uit de archeologische opgraving van 1989 is gebleken dat deze toren een fundament had met een dikte van ca. 1,5 m. Dit is veel zwaarder dan de muren van de andere fundamenten, wat het mogelijk maakt dat het hier gaat om een restant van een middeleeuwse woontoren, mogelijk uit de veertiende eeuw. Aan de noordkant op het plein stonden vier aaneengegroeide onderkelderde bouwvolumes onder evenwijdige zadeldaken tussen bakstenen tuitgevels. Op de oostelijk hoek van het terrein stond een overhoeks geplaatste vierkante toren van ca, 4,5 x 4,5 m met anderhalve bouwlaag boven een kelder, gedekt door een tentdak. Op een tekening uit de achttiende eeuw draagt de toren muurankers met het jaartal 1630. Dit komt overeen met de geblokte ontlastingsbogen op de tekening van Roelant Roghman. Deze toren, zo bleek uit de opgraving, staat op de plaats van een oudere toren. Op de zuidhoek van het terrein stond een ronde toren met een doorsnede van 10 m. Op kelderniveau bedroeg de muurdikte van deze toren slechts 75 cm, en later is deze beklampt. Op Roghmans tekening is te zien dat deze toren op de begane grond achtkantig uitgemetseld was en voorzien was van een ingesnoerde spits. Deze toren werd in 1651 gebruikt als kerk. Op de tekening in het Ridderhofstedenboek uit 1665 is deze toren niet langer zichtbaar, wat erop duidt dat het bevel van de Staten om de te slopen inderdaad is uitgevoerd. Deze tekening laat zien dat er aan de zuidwestkant van het plein een dienstgebouw stond, en dat ook op de westelijke hoek een toren heeft gestaan. Deze was ca. 1730 tot op het maaiveld gesloopt. De hoge muur om de binnenplaats, in 1730 nog aanwezig, is in de achttiende eeuw eveneens gesloopt. Een tekening van Jan de Beyer en twee tekeningen van Cornelis Schutter uit 1754 tonen een sterk bouwvallig en deels gesloopt huis. In 1811 moet het huis volledig verdwenen zijn geweest, aangezien er toen bij de verkoop alleen sprake was van een perceel grond.

Baubeschreibung:

Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat Schalkwijk een rechthoekig kasteel is geweest. Dit was echter de zeventiende-eeuwse situatie. De vroegste afbeelding van het vermoedelijk tweede kasteel Schalkwijk is de tekening van Roelant Roghman uit ca. 1646. Het was toen een rechthoekig kasteel van ca. 30 x 40 m., omgeven door een 15 m brede gracht. De muur om het binnenplein was toen ca. 70 cm dik. Op de noordhoek stond een vrijwel volledig vrijstaande vierkante hoektoren. Waarschijnlijk had deze toren twee bouwlagen boven een kelder, en een zolderverdieping. Uit de archeologische opgraving van 1989 is gebleken dat deze toren een fundament had met een dikte van ca. 1,5 m. Aan de noordkant op het plein stonden vier aaneengegroeide onderkelderde bouwvolumes onder evenwijdige zadeldaken tussen bakstenen tuitgevels. Op de oostelijk hoek van het terrein stond een overhoeks geplaatste vierkante toren van ca, 4,5 x 4,5 m met anderhalve bouwlaag boven een kelder, gedekt door een tentdak. Deze toren stond op de plaats van een oudere toren. Op de zuidhoek van het terrein stond een ronde toren met een doorsnede van 10 m. Op kelderniveau bedroeg de muurdikte van deze toren slechts 75 cm, en later is deze beklampt. Op Roghmans tekening is te zien dat deze toren op de begane grond achtkantig uitgemetseld was en voorzien was van een ingesnoerde spits. Deze toren werd in 1651 gebruikt als kerk.

Arch-Untersuchung/Funde:

Verkennend archeologisch onderzoek om de structuur van het terrein beter te leren kennen teneinde een recreatief-monumentale herinrichting door de Landinrichtingsdienst mogelijk te maken. Wetenschappelijke leiding drs. W.J. van Tent, technische leiding, G. van Haeff,
ROB, Jaarverslag 1989, Amersfoort 1990.
en weerstandsmetingen in 1988 door Stiching RAAP.