EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Lede, Huis ter

Geschichte:

Huis Ter Leede was een Gelders leen. Als eerste heer van huis ter Lede stond vermeld Johan heer van Lienden, anno 1379. In 1402 was het huis bezit van Derk van Lienden om in 1429 over te gaan op diens broer Johan van Loen. In 1431 ontving Johan van Gimmenich, heer tot Visschel, 'dat huys en borch ter Lee'. In 1434 ging voornoemde Johan Gimmenich met Jan van Arkel, heer tot Hoekelum, een verbond aan tegen Walraven van Meurs. In 1436 echter bleek Van Meurs het huis in bezit te hebben toen hij het had verpand aan zijn broer Hendrik, bisschop van Munster. In 1437 bekende Jan van Arkel, de voormalige bondgenoot van Johan van Gimmenich, een bedrag van 1800 gulden ontvangen te hebben van Walraven van Meurs en deed hij hiervoor afstand van zijn rechten op ter Lede. Nadat Walraven van Meurs het huis in 1453 nogmaals verpand had, ditmaal aan zijn neef, kwam het kasteel in 1455 terug bij Johan van Gimmenich toen deze ter Lede weer kocht van Walraven van Meurs, samen met de heerlijkheid van Lienden en Ommeren. Het huis kwam in het bezit van de familie Van Culenborch als Gerrit van Culenborch er in 1470 mee werd beleend. Kleindochter Anna, weduwe van Pallant, erfde het huis in 1527. Haar zoon en kleinzoon waren beleend als heer tot Palland waarna achterkleinzoon Floris in 1598 vermeld stond als graef van Culenborch. In 1639 werd neef Philips Theodor graaf van Waldeck Piermont en Culenborch beleend met het huis. In september 1700 droeg Louisa Anna vorstin tot Waldeck en gravin van Culenborch het leen op aan de nog onmondige Willem prins van Sachsen. De laatste van dit geslacht die het huis in leen hield was Josias Franciscus. In 1733 droeg hij Ter Lede op aan Otto Roeleman Frederik van Byland. Het huis bleef bezit van de Van Bylands tot Christiaan Reynolt en Anna Constantia Henrietta van Byland het huis overgedroegen aan Matthias Spillenaar, die er vervolgens op 23 juli 1773 mee werd beleend. Als laatste bezitter stond in 1792 vermeld de zoon van Matthias' broer, Jan Hendrik, eveneens Matthias Spillenaar geheten. Het huis was toen al lang niet meer bewoond. In 1741 stond het huis nog bijna geheel in "zyne muuren", maar het had voor het merendeel geen dak meer. In 1823 was het kasteel geheel verdwenen.

Bauentwicklung:

Ter Lede werd in de 16e eeuw getekend door A. Rademaker en in de 18e eeuw afgebeeld door A. de Haen en J. de Beyer. Op de tekeningen van De Haen is het huis nog vrijwel intact, op die van De Beyer is het huis al een ruïne. Het kasteel lijkt een duidelijk vierkant grondplan te hebben gehad. Wat direct opvalt, is de in de oostgevel min of meer centraal geplaatste en licht uitspringende poorttoren. Gezien de afmetingen lijkt men deze toren terecht te benoemen tot hoofdtoren. De borstwering was aan de voorzijde voorzien van arkeltorens, waartussen zich mogelijk een bakmachicoulis bevond. De Haen heeft het huis weergegeven met een horizontale lijn ter hoogte van het vloerniveau. Deze lijn kan de schaduwwerking van het talud zijn, maar kan ook een bouwfase weergeven. Zo is het mogelijk dat oorspronkelijke weermuren zijn opgehoogd, waarna er aan de binnenzijde gebouwen tegenaan zijn geplaatst. In 1741 werd het huis beschreven als een herenhuis, maar ook als een "vierkant zwaar gevaarte, grof en dik van muuren" met op iedere hoek "eenen dikken hang-Tooren en nog een vierkanten [toren], onder welken men, door eene Poort, over eene vaste Brug, in 't Kasteel treedt. Het staat in eene diepe gracht die met eenen hoogen aarden wal omringd is" (Tegenw. staat, 1741). Van ter Lede is een inventaris bewaard gebleven. Omdat Erhard van Palland, graaf van Culemborch, hierbij wordt genoemd, wordt verondersteld dat het stuk van ca 1530 dateert. Ten tijde van deze inventaris had dit kasteel onder meer een zaal, een kapel en een keuken. Verder worden negen ruimten met bedden genoemd, waarvan drie kamers zich op de 'poerte' bevinden. Ook staat een van deze kamers vermeld als 'staetkamer'. Verder was er een brouwkelder met "eene braukettel van XXIII tonnen", een bierkelder en een gevangenkelder. Tenslotte was er nog een zolder met handmolen (queern solder), een bouwhuis en een kruitkamertje (Van Ingen, K. 1997).

Baubeschreibung:

Mogelijk is er bij Ter Lede sprake van een vierkant kasteel zonder torens op de hoeken. Dit werd (later) gecompenseerd door drie hoeken te voorzien van arkeltorentjes. Een tweede mogelijkheid is dat het kasteel behoorde tot de compacte zaal-torenkastelen. Wat direct opvalt op afbeeldingen, is de in de oostgevel min of meer centraal geplaatste en licht uitspringende poorttoren. Gezien de afmetingen lijkt men deze toren terecht te benoemen tot hoofdtoren. De borstwering was aan de voorzijde voorzien van arkeltorens, waartussen zich mogelijk een bakmachicoulis bevindt.
In 1741 werd het huis beschreven als een herenhuis, maar ook als een "vierkant zwaar gevaarte, grof en dik van muuren" met op iedere hoek "eenen dikken hang-Tooren en nog een vierkanten (toren), onder welken men, door eene Poort, over eene vaste Brug, in 't Kasteel treedt. Het staat in eene diepe gracht die met eenen hoogen aarden wal omringd is". Ten tijde van de inventaris uit 1530 had het kasteel onder meer een zaal, een kapel en een keuken. Verder worden negen ruimten met bedden genoemd, waarvan drie kamers zich op de 'poerte' bevinden. Ook staat een van deze kamers vermeld als 'staetkamer'. Verder was er een brouwkelder, een bierkelder en een gevangenkelder. Tenslotte was er nog een zolder met handmolen, een bouwhuis en een kruitkamertje.