EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Vleuten, Huis te

Geschichte:

In de veertiende en eerste helft van de vijftiende eeuw waren de Van Vleutens gerechtsheren van Vleuten en Harmelerwaard, beide in pacht van het kapittel van Oudmunster. In 1315 zegelde Gerard Taetse van Vleuten met een halve leeuw, het wapen dat later boven de ingang van het huis zou hangen. Het huis zelf treedt pas in 1412 wat duidelijker naar voren. In dat jaar oorkondt Willem van Vleuten dat hij aan zijn dochter Lijsken verkocht heeft 'mynen huys gheleghen tot vloeten met allen synen toebehoren sonder yet daer af uijt nemende of scheydende'. Door een aantal oorkonden te combineren kan worden geconcludeerd dat het huis leenroerig is aan Den Eng en in de late veertiende eeuw aan de heren van Den Ham is uitgegeven, die het vervolgens in pacht uitgeven aan Willem van Vleuten en later in leen aan familieleden. In 1446 komt het leen voor als 'die halve hoeve lants mitten toern also dat gelegen is tot vlueten'. In 1472 wordt Adriaan Uten Ham door zijn broer beleend met 'dien toorn gehieten dat huys tot vlueten mit achte mergen lants alse geleegen syn ende mit al dat daer op staet'. Onder die naam komt het dan vanaf 1540 ook in de leenregisters van Den Eng voor. In het jaar 1506 werd Adriaans dochter Eelgis door Bernt Uten Eng met Vleuten beleend, doordat Frederik Uten Ham dit leen na twee jaar weer aan de leenheer had opgedragen. Eelgis was getrouwd met Gijsbert van Zuilen, die een neef was van Frederik Uten Ham. Hun zoon Johan verkocht het in 1536 als ridderhofstad erkende huis voor 3500,- aan Bernt de Coninck die, tien jaar daarvoor na de dood van zijn vader Frederik, heer van Bottestein was geworden. In 1590 werd Gerbrand Verduin, heer van Bottestein, met het huis beleend. Na de dood van zijn kleinzoon Jacob van Schoordijk in 1636 kwam het huis via diens zuster (Cristina, echtgenote van Adriaan van Winssen) aan Maria van Winssen. Bij haar overlijden transporteerde de executeur van haar testament de ridderhofstad met voorburg, hof, boomgaarden, visserij en andere voorrechten, benevens 41 morgen land - alles leenroerig aan het huis Den Eng- aan de oud-burgemeester van Alkmaar Johan van Egmond van der Nieuwburg.Tussen 1700 en 1758 was de ridderhofstad Vleuten in de familie Van Minnebeek. In het laatstgenoemde jaar vond uiteindelijk de laatste belening plaats, ten behoeve van Jan van Tuyll van Serooskerken. De laatste uitgebreide beschrijving uit 1774 omvatte: de ridderhofstad Vleuten met voorburg, koetshuis, stallen (met ruimte voor 6 paarden), hoven, boomgaarden, lanen, bos, plantagiën, visserij en andere voorrechten, een gestoelte en begraafplaats in de kerk te Vleuten. Het geheel kostte toen 9.400 gulden. In het geslacht Van Tuyll van Serooskerken bleven de landerijen tot het jaar 1900. Het huis was toen al lang afgebroken. In 1772 werd het in elk geval nog bewoond en goed onderhouden. Het vertoonde zich als 'een laage, dikke vierkantige tooren, met een klein spitsje, boven 't dak uitsteekende; is bewoonbaar, en wordt wel onderhouden'. In het jaar 1800 was het kasteel wellicht reeds verdwenen; er is dan sprake van een nieuw getimmerd herenhuis. Of de oude toren op dat moment nog op het kleine eilandje stond is niet duidelijk, evenmin de exacte plaats van het nieuwe huis.

Bauentwicklung:

Het huis te Vleuten is zijn originele gedaante als woontoren nimmer ontgroeid. Op de bestaande afbeeldingen zien we een eenvoudige omgrachte woontoren met een hoogte van naar schatting 15 meter. Het gebouw telt drie verdiepingen en komt qua afmetingen goed overeen met de oostelijke toren van Den Ham en de soortgenoten langs de Langbroekerwetering. Doorgaans past daarbij een datering van begin veertiende eeuw. Het oorspronkelijke huis zal niet zijn afgebeeld, hoewel het natuurlijk geenszins is uitgesloten dat delen van het huis, zoals dat in 1412 werd genoemd nog aanwezig waren. In 1546 werd Vleuten als voorbeeld genomen voor het nieuw door Marcelis Keldermans te bouwen blokhuis te Hagestein. Dit zou er op kunnen wijzen, dat het huis te Vleuten toen een modern voorkomen en wellicht een model-functie had.
De twee tekeningen van Roghman uit 1646 tonen samen slechts twee zijden van het vierkante grondplan: de noordzijde en de oostzijde (met het boogvenster boven de aanbouw). Wel krijgen we een goede indruk van de aanbouw op kelderniveau: aan twee zijden tekent Roghman lage van schuine daken voorziene schuurtjes. De één is voorzien van een steigertje, waaraan een praampje is afgemeerd. De bovenste verdieping van de toren beschikt over een regelmatige kantelering over alle zijden. De hoeken zijn voorzien van uitkragende arkeltorentjes. Een laag tentdak bekroondt het geheel. Langs de kantelen voert een smal looppad. Opvallend is het kleine aantal ramen, dat echter aan de voorkant werd gecompenseerd, getuige de laat 17e eeuwse afbeelding van C. Specht. Deze toont de twee andere zijden van de toren. Nu is goed te zien, dat de toren uit drie verdiepingen bestaat en op elke verdieping een kloostervenster heeft. We zien op deze afbeelding schietgaten en waterspuwers.
Hendrik Spilman tekende in 1744 het huis Vleuten naar een voorbeeld van Jan de Beyer. De landelijke ligging komt hier nu volledig tot uitdrukking. Zeer opvallend zijn de gevolgen van de verbouwing, die moet hebben plaatsgevonden tussen 1698 (de tekening van Specht) en ongeveer 1740 (het origineel van Jan de Beijer waarnaar Spilman tekende). De oostzijde van de toren heeft een ware gedaanteverwisseling ondergaan: de aanbouw aan de kelder is verwijderd en de gevel heeft op elke verdieping ramen gekregen. Het dak is verhoogd en voorzien van een nokschoorsteen met daarop een typisch laat-barokke bel.
In het jaar 1800 was het kasteel wellicht reeds verdwenen; er is dan sprake van een nieuw getimmerd herenhuis. Of de oude toren op dat moment nog op het kleine eilandje stond is niet duidelijk, evenmin de exacte plaats van het nieuwe huis. Inmiddels is het kasteeleiland niet meer zichtbaar. In verband met het verbreden van de spoorlijn Utrecht-Woerden, is er in de zomer van 2004 archelogisch onderzoek uitgevoerd, waarna de sloot om het eiland werd dichtgegooid en de bomen gerooid.

Baubeschreibung:

Op de bestaande 17e eeuwse afbeeldingen zien we een eenvoudige omgrachte woontoren met een hoogte van naar schatting 15 meter. Het oorspronkelijke huis zal niet zijn afgebeeld, hoewel het natuurlijk geenszins is uitgesloten dat delen van het huis, zoals dat in 1412 werd genoemd nog aanwezig waren. Het gebouw telde drie verdiepingen en komt qua afmetingen goed overeen met de oostelijke toren van Den Ham en de soortgenoten langs de Langbroekerwetering.
De 17e eeuwse tekeningen van Roghman tonen samen twee zijden van het vierkante grondplan: de noordzijde en de oostzijde (met het boogvenster boven de aanbouw). De bovenste verdieping van de toren beschikt over een regelmatige kantelering over alle zijden. De hoeken waren voorzien van uitkragende arkeltorentjes. Een laag tentdak bekroonde het geheel. Langs de kantelen voerde een smal looppad. Opvallend is het kleine aantal ramen, dat echter aan de voorkant werd gecompenseerd, getuige de 17e eeuwse afbeelding van C. Specht. Deze toont de twee andere zijden van de toren. Nu is goed te zien, dat deze uit drie verdiepingen bestaat en op elke verdieping een kloostervenster heeft. We zien op deze afbeelding eveneens schietgaten en waterspuwers.

Arch-Untersuchung/Funde:

In 2004 heeft er archelogisch onderzoek plaats gevonden op het vroegere kasteelterrein. Daarbij is komen vast te staan dat deze woontoren uit de 14e eeuw stamde. Het archeologisch onderzoek naar het Huis te Vleuten is uitgevoerd in opdracht van ProRail, vanwege de verbreding en verhoging van de spoorlijn op het traject Utrecht-Woerden. Op het eilandje waarop de toren gestaan heeft zijn grote stenen gevonden met de maten 27x14x6 en 30x14x6.