EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Soelen

Geschichte:

In 1263 werd Otto van Soelen genoemd bij de stadsrechtverlening van Wageningen. Bij zijn overlijden liet hij een minderjarige dochter achter. Tussen 1290 en 1296 werden Soelen en Aldenhaag door volgelingen van de graaf van Vlaanderen ingenomen. In 1298 werd Arndt van Arkel beleend met huis Soelen door de graaf van Gelre. De kleinzoon van deze Arndt, die ook Arndt genaamd was, werd in 1349 vermeld als heer van Soelen en Avezaath. In 1355 werden beide huizen door hertog Eduard van Gelre vernield. Nadat Arnold van Soelen kasteel Soelen weer had opgebouwd, kwam hij in conflict met hertog Eduard. De hertog bepaalde dat Soelen op afroep afgebroken kon worden en dat Arnold in dat geval geen aanspraak mocht maken op de stenen die bij de sloop vrij kwamen. Op de een of andere manier kwam Soelen na een splitsing van het goed in Avezaath en Soelen in bezit van Walraven van Benthem. Vervolgens ging Soelen over in de handen van de familie van Rossum. In 1506 werd kasteel Soelen tot heerlijkheid verheven. In 1569 kwam het huis in bezit van Heilwich van Rossum, die getrouwd was met Dirck Vijgh. Deze Dirck werd in 1572 ook met Aldenhaag beleend, zodat Soelen en Aldenhaag weer in één hand kwamen en bleven. Dirck stak kasteel Soelen in 1574 zelf in brand, toen hij bij vergissing meende dat toevallig langstrekkende Spaanse troepen gekomen waren om hem uit zijn kasteel te verjagen. De Gelderse overheid had in datzelfde jaar besloten om de heerlijkheid Soelen in bezit over te dragen aan Reinier van Gelre, die het in naam van zijn vrouw zou bezitten. Dirck Vijgh betrok zijn kasteel op 6 mei 1577 echter weer met geweld. Het huis was toen al gedeeltelijk hersteld. Met het overlijden van Karel Vijgh in 1682 stierf deze tak van de familie uit. Soelen kwam via de familie Van Renesse in 1702 in handen van Karel Pieck. Aert Johan Verstolk kocht de heerlijkheid Soelen in 1775. Deze Aert was schepen van Rotterdam. De laatste bezitter van Soelen uit deze familie was Johan Gijsbert Verstolk, die door koning Willem I in 1823 de titel baron kreeg aangemeten, vanwege zijn verdiensten voor ons land als internationale onderhandelaar. In 1833 werd Johan Gijsbert Verstolk benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken. Na zijn dood kwam Soelen door vererving in het bezit van het geslacht Völcker.

Bauentwicklung:

Het huidige kasteel Soelen is waarschijnlijk gebouwd in de veertiende of vijftiende eeuw. Men bouwde toen een rechthoekig complex van ongeveer 18 bij 17 meter. De muren van dat rechthoekige gebouw zijn ongeveer anderhalve meter dik en gebouwd van afbraaksteen. In 1574 werd het huis door de eigenaar zelf in brand gestoken. Van de hoofdburcht stonden toen alleen de muren nog, terwijl op de voorburcht alle gebouwen in vlammen op waren gegaan. In 1577 was het kasteel echter al weer deels hersteld. Waarschijnlijk is de herbouw in 1643 voltooid. De smalle rechthoekige aanbouwen aan de westzijde en de oostzijde van het kasteel dateren uit het midden van de zeventiende eeuw. In de aanbouw aan de westzijde van het kasteel bevindt zich het trappenhuis. Waarschijnlijk waren de verschillende verdiepingen voor het midden van de zeventiende eeuw met elkaar verbonden door middel van een spiltrap binnen het oorspronkelijke gebouw. Nu is het gebouw voorzien van twee schilddaken, die evenwijdig lopen met de voorgevel van het kasteel aan de noordzijde. De twee uitbouwen uit het midden van de zeventiende eeuw hebben elke een eigen zadeldak. De voorgevel van het kasteel laat een toren zien. Het muurwerk van deze toren is vanaf de dakaanzet van het zadeldak aanzienlijk dunner dan het overige muurwerk van het kasteel. De toren springt niet uit en heeft waarschijnlijk dan ook in de Middeleeuwen geen militaire functie gehad. In een latere bouwfase heeft men de ingangspartij aan de noordzijde verhoogd, zodat deze toren ontstond. Deze toren steekt daardoor uit boven het eerste zadeldak en heeft dan ook een eigen dak, namelijk een lage ingesnoerde spits. De ingang van het kasteel bestaat uit een hoge dubbele deur met bovenlicht in een omlijsting uit de vroege negentiende eeuw. De kelders onder het zuidelijke deel van het huis zijn waarschijnlijk bij verbouwingen uit de zeventiende eeuw ontstaan. Het kasteel staat op een klein rond eiland, dat omgeven is door een deel van de oorspronkelijke gracht. Het is mogelijk dat er bij de hoofdburcht vroeger twee voorburchten hebben gehoord. De hoofdburcht is verbonden door een brug met de voorburcht aan de noordzijde van het kasteel. De voorburcht is toegankelijk via een poort, die ten westen van het kasteel staat. Dit bakstenen poortgebouw heeft men in de negentiende eeuw verbouwd tot een blokvormig gebouw, met een laag schilddak. De nok van dat dak staat haaks op de poortdoorgang. Boven de gootlijst heeft men kantelen aangebracht. Vanaf de poorttoren loopt een lage walmuur langs de noordelijke kasteelgracht tot aan een deel van een waltorentje aan de oostzijde.

Baubeschreibung:

Kasteel Soelen staat op een klein rond eiland, dat nog steeds omringd wordt door een gracht. Rond het kasteel ligt een park in Engelse landschapsstijl. Het kasteel dateert uit de veertiende en vijftiende eeuw, maar is in de zestiende en zeventiende eeuw her- en verbouwd. Het 14e eeuwse kasteel Soelen was een complex van 18 bij 17 meter. De muren van dat rechthoekige gebouw waren ongeveer anderhalve meter dik en gebouwd van afbraaksteen.
Van Soelen dateert een groot deel van het muurwerk ondanks de brand uit 1574 nog uit de veertiende en vijftiende eeuw. Verder dateert de verbouwde toegangspoort tot de voorburcht deels uit de Middeleeuwen. Ten noorden van de gracht staat nog een deel van een lage middeleeuwse walmuur.
Het gebouw is tegenwoordig voorzien van twee schilddaken, die evenwijdig lopen met de voorgevel van het kasteel aan de noordzijde. De twee uitbouwen uit het midden van de zeventiende eeuw hebben elke een eigen zadeldak. De voorgevel van het kasteel laat een toren zien. Het muurwerk van deze toren is vanaf de dakaanzet van het zadeldak aanzienlijk dunner dan het overige muurwerk van het kasteel. De toren springt niet uit en heeft waarschijnlijk dan ook in de Middeleeuwen geen militaire functie gehad. In een latere bouwfase heeft men de ingangspartij aan de noordzijde verhoogd, zodat deze toren ontstond. De toren steekt daardoor uit boven het eerste zadeldak en heeft een eigen dak, namelijk een lage ingesnoerde spits. De ingang van het kasteel bestaat uit een hoge dubbele deur met bovenlicht in een omlijsting uit de vroege negentiende eeuw. De kelders onder het zuidelijke deel van het huis zijn waarschijnlijk bij verbouwingen uit de zeventiende eeuw ontstaan.
De hoofdburcht is verbonden door een brug met de voorburcht aan de noordzijde van het kasteel. De voorburcht is toegankelijk via een poort, die ten westen van het kasteel staat. Dit bakstenen poortgebouw heeft men in de negentiende eeuw verbouwd tot een blokvormig gebouw, met een laag schilddak. De nok van dat dak staat haaks op de poortdoorgang. Boven de gootlijst heeft men kantelen aangebracht. Vanaf de poorttoren loopt een lage walmuur langs de noordelijke kasteelgracht tot aan een deel van een waltorentje aan de oostzijde.