EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Toren, De Rode

Geschichte:

De vroegste vermelding van 1388 meldt de belening van Johan van Heteren met het kasteel. Het betrof hier een Zutphens leen. Johan stamde af van het geslacht Van Heteren van het gelijknamige kasteel. In 1444 ging het kasteel over op het geslacht Mom of Momme. Catharina Mom bracht het kasteel in 1636 in het geslacht van haar man, Arnt Spierinck. In 1607 had Otto Mom de goederen overgedragen aan zijn jongste dochter Catharina, die in de leenacte wordt omschreven als 'tocommende huysfrou van Arnt Spirinck'. In 1643 volgde de overdracht van een deel van deze goederen door Catharina aan haar zus Maria en haar man. De goederen raakten na het begin van de 17de eeuw steeds verder verdeeld. Vanaf 1733 kwamen zij weer in één hand, namelijk in die van Otto van den Byland. Via huwelijk vererfde het bezit op de familie Van Quadt tot Wyckraedt. Deze familie droeg het goed in 1787, het laatste jaar waarin een belening van het goed kan worden teruggevonden, over aan Geurt Speyards. Het is waarschijnlijk deze Geurt geweest die het kasteel, of wat daar op dat moment nog van restte, in 1790 liet slopen.

Bauentwicklung:

Van de Rode Toren is een opmeting bekend van Isaac van Geelkercken uit 1661 en twee tekeningen uit 1732 van Cornelis Pronk (1691- 1759). Beide tekenaars zijn behoorlijk betrouwbaar en op basis van de tekeningen kan het kasteel worden gereconstrueerd: het bestond uit een rechthoekig terrein met op de noordwesthoek een vierkante woontoren. De woontoren had een vermoedelijke maat van ca 13,3 x 13,3 m (49 x 49 Gelderse voet), telde vermoedelijk vier niveau's en had een uitkragende weergang op een rondboogfries. Langs de noord- en oostzijde van het terrein bevond zich een L-vormige woonvleugel en in het midden van de zuidzijde een poorttoren. Het kasteel was bereikbaar via een voorburcht, waarop in de zuidoosthoek een hooiberg stond en aan de westzijde een bouwhuis. Het bouwhuis is blijkens de jaartalankers in de voorgevel (zichtbaar bij Pronk) in 1716 vernieuwd of ingrijpend verbouwd, het komt namelijk ook al voor op de opmeting van Van Geelkercken. Om de west- en noordzijde van het terrein liep een 'cingel' en een tweede gracht. De naam van het kasteel duidt vrijwel zeker op de kleur van de toren, waarbij het dan niet duidelijk is of daarmee de baksteen wordt bedoeld of een eventuele rode verflaag op de baksteen.
Op de tekeningen van Pronk is te zien dat de toren in 1732 al niet meer in een beste staat verkeerde. In de periode daarna is de woonvleugel verworden tot een boerenwoning. In 1790 is het complex, nadat de boerderij door brand was verwoest, geheel gesloopt. Wat bleef was een brede heuvel, met sporen van wallen en grachten. Begin twintigste eeuw is het terrein grotendeels geëgaliseerd, maar in 1992 vertoonde het terrein nog een opvallende vierkante verhoging van 18 x 18 m, die aan de zuidzijde enigszins was verlaagd.

Baubeschreibung:

Van de Rode Toren is een opmeting bekend van Isaac van Geelkercken uit 1661 en twee tekeningen uit 1732 van Cornelis Pronk (1691- 1759). Beide tekenaars zijn behoorlijk betrouwbaar en op basis van de tekeningen kan het kasteel worden gereconstrueerd: het bestond uit een rechthoekig terrein met op de noordwesthoek een vierkante woontoren. De woontoren had een vermoedelijke maat van ca 13,3 x 13,3 m (49 x 49 Gelderse voet), telde vermoedelijk vier niveau's en had een uitkragende weergang op een rondboogfries. Langs de noord- en oostzijde van het terrein bevond zich een L-vormige woonvleugel en in het midden van de zuidzijde een poorttoren. Het kasteel was bereikbaar via een voorburcht, waarop in de zuidoosthoek een hooiberg stond en aan de westzijde een bouwhuis. Om de west- en noordzijde van het terrein liep een 'cingel' en een tweede gracht. Begin twintigste eeuw is het terrein grotendeels geëgaliseerd, maar in 1992 vertoonde het terrein nog een opvallende vierkante verhoging van 18 x 18 m, die aan de zuidzijde enigszins was verlaagd.