EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Zuilenburg

Geschichte:

In de lijst van Gelderse lenen in het Nedersticht uit 1270 kwam het huis Zuilenburg reeds voor. In die tijd behoorde het aan Gijsbert van Zuylen (Giselbertus de Sulen), die het 'in allodium' -d.w.z. als vrij erfgoed- aan de graaf van Gelre had overgedragen. Hij vervulde in 1247 de functie van schout van Jutphaas. Omstreeks 1360 bezat de heer van Abcoude het huis van Zuilenburg, dat hij in leen had uitgegeven aan Simon van Haarlem en naderhand, rond 1380, aan diens zoon Heynric van Haarlem. In 1402 werd melding gemaakt van ridder Amelis uten Engh als heer van Zuilenburg. Tot omstreeks 1616, zeven generaties lang, bleef het kasteel in het handen van het geslacht Uten Engh. De achtereenvolgende kasteelheren zijn vanaf die tijd vrij nauwkeurig bekend. De meesten van hen hadden er echter nooit zelf gewoond; het kasteel stond leeg of werd verhuurd. Het bezit van Zuilenburg -immers een erkende ridderhofstad- gaf echter wel status. Tot aan het eind van de 17de eeuw is Zuilenburg in handen geweest van de familie Van Amstel van Mijnden. In 1693 werd Zuilenburg verkocht aan Cornelis van Weede. Diens dochter, gehuwd met Johan Willem graaf van Efferen, verkocht Zuilenburg eind 1719. Daarna vond er een snelle wisseling van bezitters plaats. De Amsterdamse koopman en bankier Joan van Beuningen, heer van Darthuysen, was korte tijd eigenaar, daarna waarschijnlijk Frederik Verwout, Reinier baron van Reede. Na zijn dood in 1747 werd zijn oudste broer, Frederik Christiaan Reinhard van Reede, vijfde generaal van Athlone, eigenaar. In 1768 was het in het bezit van de familie van Tuyll van Serooskerken, totdat het in 1841 gekocht werd door de familie Van Brienen. Op 9 februari 1911 werd Zuilenburg op een veiling gekocht door de diaconie der Nederlands Hervormde Gemeente te Overlangbroek. In 1916 werd het alweer verkocht aan de familie Loeb. De huidige eigenaresse E.Y.E.G. Loeb, getrouwd met jhr. J.A.F. Backer, bewonen Zuilenburg permanent.

Besitzgeschichte:
Auf einer Liste mit Lehnsgütern aus Geldern und dem Nedersticht (die heutige Provinz Overijssel)
aus dem Jahr 1270 wurde die Burg Zuilenburg bereits genannt. Zu dieser Zeit gehörte die Burg Gijsbert von Zuylen (Giselbertus de Sulen). Er hatte es 'in allodium' – als ein freies Erbgut – an den Grafen von Gelre übertragen. Er war 1247 als Schout von Jutphaas eingesetzt. Um 1360 war der Herr von Abcoude der Besitzer der Burg Zuilenburg. Er hatte es als ein Lehnsgut an Simon von Haarlem vergeben und später, um 1380, ging die Burg an dessen Sohn Heynric von Haarlem. In 1402 wird Ritter Amelis uten Engh als Herr von Zuilenburg in den Quellen erwähnt. Bis etwa 1616, für sieben Generationen, war Zuilenburg das Eigentum des Geschlechts Uten Engh. Die späteren Burgherren sind gut bekannt. Die meisten dieser Herren haben die Burg nie selbst bewohnt; die Burg wurde nicht genutzt oder man hat sie vermietet. Es trug aber zum eigenen Ansehen bei, die Burg Zuilenburg, ein anerkanntes Rittergut, zu besitzen. Bis zum Ende des siebzehnten Jahrhunderts war Zuilenburg in Händen der Familie von Amstel von Mijnden. 1693 wurde Zuilenburg an Cornelis von Weede verkauft. Dessen Tochter, die mit Johan Willem Graf von Efferen verheiratet war , verkaufte Zuilenburg Ende 1719. Danach wechselte die Burg häufig den Besitzer. Der Amsterdamer Kaufmann und Bankier Joan von Beuningen, Herr von Darthuysen, war kurze Zeit Eigentümer. Auch Frederik Verwout, Reinier Baron von Reede gehörte die Burg für einige Zeit. Nach seinem Tod 1747 wurde sein ältester Bruder, Frederik Christiaan Reinhard von Reede, fünfter General von Athlone, Besitzer. 1768 war die Burg im Eigentum der Familie von Tuyll von Serooskerken, bis sie 1841 von der Familie von Brienen gekauft wurde.. Am 9. Februar 1911 wurde Zuilenburg versteigert an die Diakonie der Nederlands Hervormde Gemeente zu Overlangbroek. Fünf Jahre später wurde Zuilenburg wiederum verkauft an die Familie Loeb. Die heutigen Besitzer, Frau E.Y.E.G. Loeb und ihr Gatte jhr. J.A.F. Backer, leben permanent auf Zuilenburg.

Bauentwicklung:

Hoe het oorspronkelijke huis uit de 13de eeuw er uit heeft gezien is niet te zeggen, maar mogelijk ging het in eerste aanleg om een woon- of zaaltoren. Op een prent van Roelant Roghman uit 1646 zien we een gebouw, bestaande uit twee evenwijdige vleugels onder evenwijdige zadeldaken tussen trapgevels. De huidige noordoost-, zuidoost- en zuidwestmuur, die een dikte hebben van ruim 1,3 m, waren opgetrokken in baksteen. Het aangetroffen formaat van 29,5x14x7 cm maakt een datering in de 14de eeuw waarschijnlijk. De muren weken aan de voet uit, wat er op wijst dat ze oorspronkelijk rechtstreeks uit een gracht oprezen, hoewel ze op de oudste tekening van Roghman uit 1646 voorzien waren van een aarden wal. De kelder, die grotendeels als oorspronkelijk kan worden beschouwd, is overkluisd door een tongewelf met aan de z.o.zijde een drietal steekkappen. Hierdoor was het mogelijk aan de achterzijde, die immers naar de Langbroekerdijk was gewend, schietspleten aan te brengen. Twee van deze middeleeuwse schietsleuven (0.5x0.1 m) zijn nog aanwezig. Roghman's tekening uit 1646 geeft het gebouw uit het noorden weer, waarbij we het onderste deel van het achterste bouwdeel herkennen als het huidige gebouw. Het nu verdwenen voorste bouwdeel, dat ten opzichte van het achterste deel iets versprong had, gezien de uitgemetselde schoorsteen, vrij dunne muren. De stookplaatsen moeten boven elkaar tegen de noordoostmuur gesitueerd geweest zijn. De ingang bevond zich in het midden van de voorgevel van dit nu verdwenen bouwdeel en was voorzien van een dakje. Tekeningen uit 1731 en later laten zien dat het gebouw in de loop van de tijd grotendeels werd afgebroken. Slechts de kelder en de bel-etage van het achterste bouwlichaam bleven gespaard; hier kwam een pannen schilddak op. In de oorspronkelijke binnenmuur die nu het front werd, werden een ingang en twee vensters doorgebroken. De nieuwe ingang werd bereikbaar gemaakt door een stenen bordestrap, waaronder zich de ingang naar de kelder bevond. De symmetrische indeling, de toepassing van kruisvensters en de detaillering van de ingang, maken het waarschijnlijk dat deze verbouwing in de tweede helft van de 17de eeuw plaatsvond. De afwezigheid van een schoorsteen maakt het waarschijnlijk dat Zuilenburg slechts als buitenverblijf werd gebruikt. De tekening van Jan de Beijer uit 1749 laat zien dat het huis in die tijd in een zeer verwaarloosde toestand verkeerde, en waarschijnlijk niet meer werd gebruikt. Deze situatie is waarschijnlijk tot het begin van deze eeuw grotendeels gehandhaafd. Oude foto's laten zien dat de stenen buitentrap omstreeks 1916 vervangen was door een houten exemplaar. Eigenaar Paul Loeb liet in 1919 Zuilenburg verbouwen. De nieuwe ingang kwam gelijkvloers te liggen, terwijl de buitentrap en de deur op de bel-etage kwamen te vervallen. Maar in de tweede helft van de jaren zestig werden restauratiewerkzaamheden uitgevoerd waarbij die verbouwing weer teniet werd gedaan. Een belangrijke verandering was de vervanging van het schilddak door een zadeldak. Met behulp van zo'n 1500 kloostermoppen die onder andere tevoorschijn kwamen bij graafwerkzaamheden op het kasteelterrein werden onder meer de buitentrap en de schouw in de woonkamer opgebouwd. De deur onder de trap bleef gehandhaafd. Het restant van de vroegere binnengracht is aan de noordoostzijde van het huis kort na 1964 verbreed tot een wigvormige vijver.

Baubeschreibung:

Er is weinig bekend over de oorspronkelijke typologie van Zuilenburg. De kans bestaat dat het in eerste aanleg om een woon- of zaaltoren ging. Op een prent van Roelant Roghman uit 1646 zien we een gebouw bestaande uit twee evenwijdige vleugels onder evenwijdige zadeldaken tussen trapgevels.
De huidige noordoost-, zuidoost- en zuidwestmuur, die een dikte hebben van ruim 1,3 m, zijn opgetrokken in baksteen. Het aangetroffen formaat van de stenen is 29,5x14x7 cm. De muren wijken aan de voet uit, wat er op wijst dat ze oorspronkelijk rechtstreeks uit een gracht oprezen, hoewel ze op de tekening van Roghman uit 1646 voorzien waren van een aarden wal. De kelder, die grotendeels als oorspronkelijk kan worden beschouwd, is overkluisd door een tongewelf met aan de z.o. zijde een drietal steekkappen. Hierdoor was het mogelijk aan de achterzijde, die immers naar de Langbroekerdijk was gewend, schietspleten aan te brengen. Twee van deze middeleeuwse schietsleuven (0.5x0.1 m) zijn nog aanwezig. Roghman's tekening uit 1646 geeft het gebouw uit het noorden weer, waarbij we het onderste deel van het achterste bouwdeel herkennen als het huidige gebouw.
Het huidige gebouw heeft een lengte van 11,8 m en een breedte van 7,3 m (buitenwerk).

Baugeschichte und -beschreibung
Wie die ursprüngliche Burg Zuilenburg im 13. Jh. ausgesehen hat,können wir nicht zuverlässig nachvollziehen. Wahrscheinlich handelte es sich um einen Wohn- oder Saalturm. Auf einer Zeichnung von Roelant Roghman aus dem Jahr 1646 sehen wir ein Gebäude mit zwei gleichlangen Flügeln unter zwei ebenweitigen Satteldächern. Die Dächer ruhten zwischen Treppengiebeln. Die Nordost-, Südost- und Südwestmauer hatten eine Mauerstärke von mehr als 1,3 m und waren aus Backsteinen erbaut worden. Die Größe der Backsteine von 29,5x14x7 cm ermöglichen eine Datierung im vierzehnten Jahrhundert. Es ist wahrscheinlich, dass die Burg direkt ins Wasser gebaut war. Der Keller, der zum größten Teil ursprünglich zur Burg gehört hat, hat ein Tonnengewölbe mit drei Stichkappen an der Südostseite. Auf diese Weise konnte man an der Rückseite, in der Richtung des Langbroekerdijk, Schießscharten anbringen. Zwei dieser mittelalterlichen Schießscharten (0.5x0.1 m) gibt es noch immer. Die Zeichnung von Roghman aus 1646 zeigt das Gebäude von Norden und wir erkennen das hintere Bauteil als das heutige Gebäude. Das Bauteil, das jetzt verschwunden ist, hatte eine ziemlich geringe Mauerstärke. Die Kaminanlagen müssen sich übereinander an der Nordostwand befunden haben. Der Eingang befand sich in der Mitte des Vordergiebels des jetzt nicht mehr existierenden Bauteils. Zeichnungen aus 1731 und späterer Zeit zeigen, dass die Burg im Laufe der Jahre zum größten Teil abgerissen worden ist. Nur der Keller und die Bel-Etage des hinteren Bauteils sind erhalten geblieben. In die ursprüngliche Innenmauer, die jetzt eine Außenmauer geworden ist, wurden ein Eingang und zwei Fenster gebrochen. Man konnte den neuen Eingang mittels einer Steintreppe erreichen,. Unter dieser Treppe befand sich der Eingang zum Keller. Wahrscheinlich hat dieser Umbau im siebzehnten Jahrhundert stattgefunden., Da es offensichtlich keinen Schornstein gab, kann man schließen, dass dieses Haus nur als ein Sommerhaus genutzt wurde. Die Zeichnung von Jan de Beijer aus 1749 zeigt, dass das Haus in dieser Zeit dem Verfall preisgegeben war. Diese Situation hielt vermutlich noch bis ca. 1900 an. Alte Fotos zeigen, dass es 1916 eine hölzerne Treppe zum Eingang gab. Paul Loeb ließ Zuilenburg 1919 umbauen und er versetzte den Eingang. Um etwa 1960 hat man bei Restaurierungsarbeiten den alten Eingang wieder hergestellt. Auch hat man damals das Schilddach durch ein Satteldach ersetzt. Aus etwa 1500 ‘kloostermoppen’, die man auf dem Burggelände gefunden hat, hat man die alte Treppe aus dem siebzehnten Jahrhundert wieder rekonstruiert. Die Reste eines früheren Innengrabens an der Nordostseite des Hauses hat man kurz nach 1964 erweitert zu einem großen Teich. Das heutige Gebäude hat eine Länge von 10,,8 m und eine Breite von 7,3 m (das Außenwerk).
Y.S. und L.v.d.W.

Arch-Untersuchung/Funde:

Opmetingen jhr. ir. R.G.M.P.N. Bosch van Drakestein, 1994, niet gepubliceerd.